‘Is dat het degradatiespook?’ vroeg Wigger.
‘Nee,’ zei ik, ‘dat is Leen.’
‘Gelukkig,’ zei Wigger zichtbaar opgelucht.
Leen zag wat bleek rond de neus – misschien waren de baco’s tijdens het trainingskamp iets te straf geweest – maar het degradatiespook was hij zeker niet.
Achter Leen, een van onze meest trouwe supporters, stonden onze auto’s op de dijk. De wind joeg over het troosteloze sportcomplex van SCO. Boven ons een dikke, grijze wolkendeken. Het regende een beetje. Misschien kwam het door deze trieste omstandigheden, misschien door onze lage klassering, misschien kwam het door de speech van trainer Bart vooraf, maar er was duidelijk angst in de ploeg geslopen.
Bart had ons verteld dat wij de tweede helft van de competitie begonnen op een plek waar wij niet wilden en zeker niet hoorden te staan. Een plek die ons aan het einde van de competitie zou verplichten tot het spelen van een degradatiewedstrijd. Een spookbeeld (net als Leen langs de lijn).
Al snel bleek dat wij voor SCO geen enkele angst hoefden te hebben; Joost maakte 0-1 na een snelle vrije trap. Uit een ingestudeerde corner volgde 0-2 door Daniel en nog voor rust maakte Pieter een mooie goal op aangeven van Ruud.
Na rust kopte Jan Jaap de 0-4 binnen uit een voorzet van Joost. De punten waren binnen. Op de bank zag iedereen het tevreden aan.
‘Kijk,’ zei Hans, ‘de lucht wordt zelfs weer blauw…’
‘Nou wij nog,’ zei John.
En gelijk had hij.

